015/63.52.70 info@argoshombeek.be

Patellaluxatie (Kniefschijfontwrichting)

Inleiding

Patellaluxatie is de latijnse benaming voor een ontwrichting (luxatie) van de knieschijf (patella). Dit probleem zorgt voor een chronische mankheid van de hond. De patella is een verbening in de pees van de strekspieren (de quadriceps) van de knie. De patella zit via de patellapees vast aan een benig uitsteeksel van het scheenbeen; de tuberositas tibiae.

© Hill's atlas of Veterinary Clinical Anatomy

© Hill’s atlas of Veterinary Clinical Anatomy

Normaal moet de knieschijf bij strekken en buigen van de knie, mooi door een gleuf, oftewel de trochlea, van het bovenbeen (femur) glijden. Aan de binnenzijde en buitenzijde van deze groeve bevinden zich uitstekende randen waartussen de knieschijf op zijn plaats wordt gehouden.
Bij patellaluxatie kan de patella uit deze groeve geduwd worden of bevindt deze zich zelfs continu naast de groeve. In dit geval spreekt men van een patellaluxatie. In 80% van de gevallen zal de luxatie naar binnen (mediaal) optreden en in het overige deel van de gevallen naar buiten (lateraal). In wat volgt zal daarom enkel mediale patellaluxatie worden besproken.

Oorzaak

Zeer zelden is de oorzaak van een patellaluxatie het gevolg van een ongeluk/verkeerde beweging (een traumatische oorzaak ). Soms kan een gescheurde voorste kruisband een patellaluxatie veroorzaken (andersom kan dit ook, zie verder). De precieze oorzaak van patellaluxatie in alle andere gevallen blijft nog onduidelijk.

Vrijwel nooit is de patellaluxatie al aanwezig bij de geboorte. Om deze reden kan patellaluxatie moeilijk ‘aangeboren’ genoemd worden. De patellaluxatie ontstaat na verloop van maanden of jaren en wordt daarom eerder een ‘ontwikkelingsprobleem’ genoemd. Het is echter aannemelijk dat het probleem dat de patellaluxatie veroorzaakt wél aangeboren is. Volgens verschillende onderzoeken lijkt dit oorzakelijke probleem in het heupgewricht te liggen. Een verkeerde stand van de heupkop zou ervoor zorgen dat de quadricepsspier (met patella en patellapees) niet meer mooi ‘in het midden’ ligt. Hierdoor zal de knieschijf naast de groeve kunnen komen.

Doordat de quadricepsspier vervolgens op een ‘scheve’ manier zijn krachten uitoefent op de botten zullen er (afhankelijk van de graad van de patellaluxatie) op den duur een hele reeks botveranderingen optreden, zowel aan het dijbeen als aan het scheenbeen. Door deze botveranderingen zal de knieschijf steeds makkelijker (of verder) uit de groeve komen.

Rekening houdend met de operatietechnieken (zie later) zijn de belangrijkste botafwijkingen die gezien kunnen worden bij patiënten met mediale patellaluxatie:

  • Minder diepe trochlea (met een lagere binnenste rand)
  • Naar binnen verplaatste tuberositas tibiae (doordat het volledige bovenste deel van het scheenbeen naar binnen draait)
© Hill's atlas of Veterinary Clinical Anatomy

© Hill’s atlas of Veterinary Clinical Anatomy

Bij het opereren van een mediale patellaluxatie zullen deze afwijkingen gecorrigeerd moeten worden (zie verder).
Patellaluxatie lijkt een erfelijk probleem te zijn en daarom wordt het afgeraden om te fokken met honden met patellaluxatie.

Symptomen

De symptomen die een hond met patellaluxatie heeft variëren erg naargelang de graad van patellaluxatie. Er zijn 4 graden van patellaluxatie te onderkennen:
Graad 1: De knieschijf kan uit de groeve geduwd worden maar springt spontaan terug in de groeve. De knieschijf zal dus niet luxeren bij gewoon lopen/rennen. Dieren met een graad 1 patellaluxatie zijn vrijwel nooit mank.
Graad 2: De knieschijf zal (soms) de groeve uitglippen bij het buigen van de knie (bij een normale wandeling). Zodra de knie gestrekt wordt schiet de knieschijf weer de groeve in. Deze honden zijn meestal ‘intermitterend’ mank (de mankheid komt en gaat) en typisch is dat deze hondjes soms een paar pasjes huppelen op 3 pootjes (wanneer de knieschijf geluxeerd is) en een paar pasjes later weer netjes doorlopen op 4 poten (zodra de knieschijf weer terug springt op zijn correcte plaats).
Graad 3: De knieschijf zit continu naast de groeve. De knieschijf kan met de hand nog de groeve ingeduwd worden maar schiet er automatisch weer uit zodra men stopt met duwen op de knieschijf. Vaak zijn deze honden continu mank en verergert de mankheid met de tijd.
Graad 4: De knieschijf zit continu naast de groeve en kan niet meer de groeve ingeduwd worden. Deze honden zijn ook vaak continu mank. Ze kunnen hun knie niet volledig strekken en daardoor lopen ze op een rare ‘gehurkte’ manier.

Een met patellaluxatie kan na verloop van tijd evolueren naar een ergere graad.

Diagnose

De diagnose kan meestal eenvoudig gesteld worden door goed te voelen aan de knie. Soms kan het aangeraden zijn om de patiënt voor de diagnose licht te verdoven. In dit geval kan er beter vastgesteld worden of er bijkomende schade is aan de voorste kruisband (lees meer over kruisbandproblematiek door hier te klikken). Normaal helpt de knieschijf om de knie stabiel te houden. Wanneer er patellaluxatie (vooral graad 3 en 4) aanwezig is komt de kruisband onder grotere stress te staan waardoor deze uiteindelijk kan scheuren. Wanneer een hond met patellaluxatie de kruisband scheurt zal hij opeens een stuk erger manken dan voordien.

Eventueel kunnen er van de knie van de (verdoofde) patiënt röntgenfoto’s gemaakt worden om de graad van de botafwijkingen na te gaan. Vervolgens zal de keuze van de behandelingsmethode makkelijker gemaakt kunnen worden. Hoe hoger de graad van patellaluxatie, des te erger zullen de botafwijkingen aan de betreffende poot zijn. Bij patiënten waarbij de patellaluxatie al lang aanwezig is kan de knie soms zo verdikt zijn dat de knieschijf amper meer te voelen is. In dit geval zijn röntgenfoto’s noodzakelijk om de toestand van de knie goed te kunnen beoordelen. Door middel van röntgenfoto’s kan er ook beoordeeld worden hoeveel artrose er al aanwezig is in de knie. Hoe minder artrose in de knie, des te beter de knie zal functioneren na een operatie.

patellavoorapkl

Behandelingsmethodes

Conservatieve behandeling

Conservatieve behandeling houdt in dat er niet geopereerd wordt en dat er met rust en ontstekingsremmers wordt geprobeerd om het manken zo veel mogelijk onder controle te brengen. Dit wordt enkel aangeraden bij patiënten met patellaluxatie graad 1 en 2, die maar zeer sporadisch manken.

Het is belangrijk om te beseffen dat iedere keer dat de knieschijf naast de groeve glijdt, er kraakbeenschade optreedt. Deze kraakbeenschade zal resulteren in een ontsteking en deze ontsteking zal weer zorgen voor artrose. Bovendien geneest kraakbeen vrijwel niet (tenzij er behandeld wordt met een dure stamceltherapie) en zal veel schade dus onomkeerbaar zijn. Hoe langer de patellaluxatie aanwezig is, hoe meer artrose er aanwezig zal zijn en hoe minder gezond kraakbeen er zal overblijven. Het is soms moeilijk om een vrij zware operatie te verantwoorden voor een hondje dat maar af en toe een beetje mankt. Maar volgens deze visie is het dus niet goed om te lang te wachten met opereren. Ook moet, zoals eerder vermeld, onthouden worden dat de graad van patellaluxatie kan verergeren waardoor er ingrijpendere operatietechnieken nodig zijn om alles weer te corrigeren. Een operatie wordt dus best niet te lang uitgesteld.

Chirurgische behandeling

Chirurgische behandeling wordt aangeraden bij honden met patellaluxatie graad 2, 3 en 4. Bij de chirurgische behandeling draait alles erom om de knieschijf weer mooi in de groeve te krijgen. Om dit voor elkaar te krijgen bestaan er veel verschillende technieken. Voor elke patiënt zal apart bekeken moeten worden (soms tijdens de operatie) welke techniek(en) er nodig zijn. Het spreekt voor zich dat hoe hoger de graad van patellaluxatie, hoe ingrijpender de benodigde operatietechniek.
Voor vrijwel alle gevallen van patellaluxatie (graad 2 en de meeste met graad 3) volstaat de standaard operatie. Deze operatie bestaat uit een combinatie van het dieper maken van de groeve, het verplaatsen van de tuberositas tibiae (naar buiten) en het opspannen van het gewrichtskapsel (en een peesplaat die aan de buitenzijde van de knie loopt). Indien met deze technieken de knieschijf nog niet stabiel genoeg in de groeve ligt kunnen er bijkomend nog spierverplaatstingen uitgevoerd worden en/of kan er een ‘kunstkruisband’ aangelegd worden waardoor de knie stabieler wordt en de knieschijf beter in de groeve blijft liggen.

In onze praktijk wordt de groeve dieper gemaakt door een wig of blok uit de groeve te zagen. Vervolgens wordt er van het wigje of blokje óf uit de plek van het dijbeen waar het wigje of blokje uitkwam nog een dun ‘schijfje’ bot weggezaagd. Hierna plaatsen we het wigje of blokje weer terug op zijn plaats. In sommige praktijken wordt de groeve dieper gemaakt door deze simpelweg dieper te raspen. Uiteraard wordt hiermee al het kraakbeen weggeraspt en zal er achteraf meer artrose ontstaan.

wedgegr

blockgr

Om de tuberositas tibiae te verplaatsen, moet deze losgezaagd, verplaatst en weer vastgezet met pinnen en/of schroeven. Door te tuberositas tibiae meer naar buiten te verplaatsen wordt automatisch de naar binnen geluxeerde knieschijf (die aan de tuberositas tibiae vasthangt via de patellapees) mee naar buiten getrokken en zal hierdoor in de groeve terecht komen.

 
 
 

Voor een patellaluxatie graad 4 zijn meestal de ‘standaard’ technieken niet voldoende en moeten het dijbeen en scheenbeen volledig rechtgezet worden met platen en schroeven.

Een operatie om patellaluxatie te corrigeren kan ook uitgevoerd worden op jonge honden die nog niet volgroeid zijn. Door tijdig te opereren kan er voorkomen worden dat het dijbeen en het scheenbeen nog schever gaan groeien (en wordt er voorkomen dat er later ingewikkeldere operaties nodig zijn).

Nazorg

Na de operatie moet uw huisdier gedurende 6 weken zo veel mogelijk in een bench blijven. Indien u zelf geen bench heeft kunt u er van ons één lenen gedurende de herstelperiode.
De eerste 3 weken na de operatie mag de hond enkel uit de bench om de behoeftes te doen en dit ALTIJD aan de leiband. De 3 weken hierna (3‐6 weken na de operatie) mag de hond kleine wandelingen beginnen maken van ongeveer 5 minuten maar ook nog ALTIJD aan de leiband. Er mogen gedurende deze 6 weken absoluut geen spelletjes gedaan worden en er moet voorkomen worden dat de hond plots wegsprint als hij of zij bv iemand buiten ziet passeren, als de deurbel gaat of bij het zien van een kat, konijn of andere hond.